Je loopt de Grassmarket op en ineens opent de stad zich: een brede, met keien geplaveide ruimte, ingeklemd tussen hoge, oude gevels waar nu cafés, kroegen en kleine winkels hun best doen om je aandacht te stelen. Kijk schuin omhoog naar rechts en daar hangt Edinburgh Castle op die rotswand, zo nadrukkelijk aanwezig alsof het even wil checken of iedereen zich wel gedraagt.
Dat plein ligt lager dan de straten eromheen. Het voelt een beetje alsof je in een stadskom bent beland, een eigen wereldje midden in Edinburgh. En ja, soms hoor je ergens een doedelzakspeler, zo iemand die met één noot al klinkt alsof hij een heel leger de heuvel op blaast.
Maar stel je dit eens voor: eeuwen terug was dit geen terrasparadijs, maar een echte veemarkt. Hoefgetrappel, loeiende koeien, dieren die door met gras begroeide hokken werden geleid. Daar komt de naam Grassmarket vandaan. Handelaren uit heel Schotland stonden hier schouder aan schouder. Kraampjes vol groente, ijzerwaren, teer, dat is een sterk ruikend zwart spul om dingen waterdicht te maken, en potten met felle verfkleuren voor schilders.
En het was niet alleen koopwaar. Bij de zuidwesthoek zit de Vennel, een steil steegje met trappen. Knijp je ogen een beetje samen en denk de oude stadsmuren van Flodden en Telfer erbij. Deze plek zag kermissen én openbare ophangingen, met menig toeschouwer die kwam kijken, huiveren, of op het verkeerde moment liever wilde verdwijnen.
Daniel Defoe liep hier ook rond en schreef dat de Bow, een boogvormige doorgang en straatje hier vlakbij, vol stond met handel in zware goederen. En voor roddelliefhebbers: de dichters Wordsworth en Robert Burns sliepen in de White Hart Inn. In achttien veertig was dat geen luxe: meer dan tien mensen in één kamer, en een toilet vinden was een avontuur op zich.
Zin om meer te weten over deze plek, archeologie, of de Grassmarket als executieplaats? Duik dan even de chat in.



