Recht voor je staat een gebouw dat duidelijk heeft besloten: ik ga indrukwekkend zijn, punt. Die grote, gebogen voorgevel heet de façade, zeg maar het “gezicht” van het gebouw. Tel daar statige stenen zuilen bij op, enorme boogdoorgangen, keurige rijen hoge ramen en die opvallende zilverkleurige koepel, en je hebt Old College van de University of Edinburgh. Serieus én een tikje opschepperig, op de meest charmante Edinburgh-manier.
Stel je ditzelfde stuk stad voor tegen het einde van de zeventienhonderden. Het was hier rommelig: oude gebouwen vielen bijna uit elkaar, studenten zaten krap, en het rook waarschijnlijk eerder naar avontuur dan naar frisse zeep. Edinburgh wilde een universiteit die bij de ambities van de stad paste. Alleen, bouwen ging niet zonder gedoe. Er waren ruzies, ongelukken en zelfs een moment waarop iemand dacht: laten we een weg aanleggen dwars door de achtertuin van het college. Dat is geen stadsplanning, dat is tuinieren met een bulldozer.
Toen het geld opraakte, lag de bouw stil en bleven de funderingen jaren liggen. Voorbijgangers zullen zich hebben afgevraagd of dit ooit afkwam, of dat het een chique duivenflat zou worden. Uiteindelijk kregen vastberaden doorzetters en architecten met klinkende namen, Robert Adam en William Henry Playfair, het project weer op gang.
Grappig detail: dit heette ooit “New College” en staat op grond waar eerder een middeleeuwse kerk en begraafplaats lagen. Binnen vind je grote zalen, de School of Law, dus de rechtenfaculteit, én een kunstgalerie. De koepel kwam pas later: een academische kroon op het werk, alsof Edinburgh zegt: we doen hier ook aan indrukwekkende hoofddeksels.
En kijk, studenten blijven studenten: grootse plannen, snelle stappen, en af en toe tóch de verkeerde gang. Voel je de geleerde al in jezelf wakker worden?


